Boekbespreking (verschenen in Motief nummer 30, mei 2000):
Dit bijzondere boek is één grote stimulans om te kijken, te kijken en nogmaals te kijken om uiteindelijk te kunnen zien en wellicht te kunnen ervaren. In zorgvuldige en behoedzaam geformuleerde beschrijvingen deelt Dick van Romunde ons mee wat hij waargenomen heeft aan de vormen van de stengelbladeren, de kelken en omwindsels en de bloembladeren van een groot aantal, voornamelijk Nederlandse, planten. Beginnend bij de relatief eenvoudige parallelnervige stengelbladeren zoals van de tulp bijvoorbeeld, en de 'straalnervige' en veernervige bladeren, worden vervolgens de kelkbladeren en tenslotte het vormenspel van de meerzijdig en tweezijdig symmetrische bloemen beschreven. Zeer behulpzaam voor de lezer/kijker zijn de fraaie, natuurgetrouwe plantentekeningen getekend door Elly van Harderveld, die perfect aansluiten op de tekst.
Al lezend en kijkend rees bij mij de vraag hoe woorden, deze zorgvuldig gekozen woorden, je in staat stellen om dingen te gaan zien, die je voorheen niet zag, terwijl ik toch echt wel keek. Ik heb vroeger ooit een floracursus gedaan, dus de meeste planten zijn me wel bekend. Maar als dit boekje een ding duidelijk maakt, dan is het wel dat 'bekend zijn met' iets anders is dan 'werkelijk kennen'. Ken ik de dovenetel als ik weet hoe die heet en tot welke familie hij behoort, omdat ik ooit geleerd heb dat lipbloemigen een vierkante stengel hebben en de bladeren kruislings staan? Of leer je een plant pas echt kennen als je zijn vormverwantschap met andere planten ontdekt door een uiterst zorgvuldige waarneming, die zo intensief kan worden dat, hoewel planten zelf maar statische wezens zijn, je in je geest de dynamiek van de metamorfose kan ervaren, en wellicht zelfs ook de krachten die hieraan ten grondslag liggen? 'Dit werkje', schrijft Dick van Romunde, 'wil gezien worden als een eerste, voorzichtig aftastende verkenning mijnerzijds van het gebied van de vormende krachten, die in de plantenwereld werkzaam zijn.' Om de gestiek of gebarentaal van de planten, die de uitdrukking vormt van deze vormende krachten, te kunnen beleven is de ontwikkeling nodig van wat Goethe noemde: 'Der Kunst- und Nachahmungstrieb', vrij vertaald: de aanleg tot kunstzinnige nabootsing. Voorwaarde hiertoe is een onbevangen en exact waarnemen. De exacte denker Van Romunde, die eerder delen van de moderne natuurkunde van een fenomenologische grondslag heeft voorzien (in zijn tweedelig 'Materie en straling in ruimte en tijd'), is in dit boek meer dan ooit in de voetsporen van Goethe getreden. Deze fenomenologische studie, die de inmiddels 83-jarige auteur voor zichzelf als een 'eindwerkstuk' beschouwt, zal hopelijk voor velen het begin kunnen zijn van een fenomenologische scholingsweg.
HdV