Tekst: Dick van Romunde. Tekeningen: Elly van Hardeveld
2000
Verkrijgbaar via: Louis Bolk Instituut, Hoofdstraat 24, 3972 LA Driebergen
Over vormende krachten in de Plantenwereld
Uit de inleiding:
Aan de grote en bezielde natuurkenner Dr. Jac. P. Thijsse werd door een met hem bevriende kunstenaar eens de vraag gesteld, waaraan het te danken was, dat de wereld van de natuurverschijnselen in zo'n overweldigende mate van schoonheid doortrokken is. (...)
    Het is mogelijk, dat de vraag naar de herkomst van de natuurschoonheid voor iemand tot een "brandende" wordt en hem niet met rust laat. Hij zal dan op zoek gaan naar een natuurbeschouwing, die hem de weg kan wijzen naar een bevredigend antwoord. Op zijn speurtocht zal hij dan waarschijnlijk - vroeger of later - kennis maken met de wijze, waarop Goethe de natuurverschijnselen benaderde. Het is bijna vanzelfsprekend, dat een kunstenaar, die in een zo hoge mate begaafd is als hij, het besluit neemt, zich ook dan, wannneer hij zich op streng wetenschappelijke wijze op de natuurverschijnselen richt, zijn aandacht daarbij ook op de hierboven gestelde vraag zal richten.
    In zijn beschouwing van het plantenrijk, waarvan Goethe de resultaten heeft weergegeven in het werk "Die Metamorphose der Pflanzen" neemt de kunst inderdaad een vooraanstaande plaats in; het gehele werk is ermee doortrokken. Zijn benadering onderscheidt zich van degene, die gebruikelijk was  - en nog steeds is - in de natuurwetenschap daardoor, dat hij een zeer sterk "inlevende" denktrant hanteerde. Deze was gefundeerd op een vorm van waarnemen, die tot de innerlijke nabootsing van het object leidt. Hij benoemde deze manier van waarnemen als een, die berust op een gave: "Der Kunst- und Nachahmungstrieb" (vrij vertaald: "de aanleg tot kunstzinnige nabootsing"). Ieder mens kan deze aanleg tot een gave versterken door tijdens het aandachtige waarnemen het oordelende verstandelijke denken tot zwijgen te brengen, waardoor de werking van de waarneming op zijn organisme veel sterker wordt en er tenslotte toe leidt, dat de innerlijke nabootsing in het bewustzijn treedt. Op grond van een dusdanig waarnemen ontstaat een veel helderder en sprekender herinneringsbeeld als voorstelling. Wordt nu deze "geintensifeerde" voorstelling herhaaldelijk - onder uitsluiting van alle andere voorstellingen - in het bewustzijn geplaatst, dan herhaalt zich ook de innerlijke nabootsing. Dit leidt er na kortere of langere tijd toe, dat de "gestiek", de gebarentaal van het waargenomene - van het stengelblad, van de bloem - in het bewustzijn treedt.
    Langs deze weg ontving Goethe de indruk, dat hij als het ware een "gesprek" met de planten kon voeren met behulp van de gebarentaal. Hij sprak van een "offenbares Geheimnis", een openbaar geheim: voor degene, die deze taal nog niet kent bewaart de plantenwereld zijn geheim, maar dit is in wezen openbaar omdat iedereen die taal kan leren kennen. Evenals de toneelspeler zich bekwaamt in de taal van de menselijke gestiek, verwerft de goetheanist het vermogen de gebarentaal van de natuurverschijnselen te verstaan.
Boekbespreking (verschenen in Motief nummer 30, mei 2000):
Dit bijzondere boek is één grote stimulans om te kijken, te kijken en nogmaals te kijken om uiteindelijk te kunnen zien en wellicht te kunnen ervaren. In zorgvuldige en behoedzaam geformuleerde beschrijvingen deelt Dick van Romunde ons mee wat hij waargenomen heeft aan de vormen van de stengelbladeren, de kelken en omwindsels en de bloembladeren van een groot aantal, voornamelijk Nederlandse, planten. Beginnend bij de relatief eenvoudige parallelnervige stengelbladeren zoals van de tulp bijvoorbeeld, en de 'straalnervige' en veernervige bladeren, worden vervolgens de kelkbladeren en tenslotte het vormenspel van de meerzijdig en tweezijdig symmetrische bloemen beschreven. Zeer behulpzaam voor de lezer/kijker zijn de fraaie, natuurgetrouwe plantentekeningen getekend door Elly van Harderveld, die perfect aansluiten op de tekst.
    Al lezend en kijkend rees bij mij de vraag hoe woorden, deze zorgvuldig gekozen woorden, je in staat stellen om dingen te gaan zien, die je voorheen niet zag, terwijl ik toch echt wel keek. Ik heb vroeger ooit een floracursus gedaan, dus de meeste planten zijn me wel bekend. Maar als dit boekje een ding duidelijk maakt, dan is het wel dat 'bekend zijn met' iets anders is dan 'werkelijk kennen'. Ken ik de dovenetel als ik weet hoe die heet en tot welke familie hij behoort, omdat ik ooit geleerd heb dat lipbloemigen een vierkante stengel hebben en de bladeren kruislings staan? Of leer je een plant pas echt kennen als je zijn vormverwantschap met andere planten ontdekt door een uiterst zorgvuldige waarneming, die zo intensief kan worden dat, hoewel planten zelf maar statische wezens zijn, je in je geest de dynamiek van de metamorfose kan ervaren, en wellicht zelfs ook de krachten die hieraan ten grondslag liggen?
   'Dit werkje', schrijft Dick van Romunde, 'wil gezien worden als een eerste, voorzichtig aftastende verkenning mijnerzijds van het gebied van de vormende krachten, die in de plantenwereld werkzaam zijn.' Om de gestiek of gebarentaal van de planten, die de uitdrukking vormt van deze vormende krachten, te kunnen beleven is de ontwikkeling nodig van wat Goethe noemde: 'Der Kunst- und Nachahmungstrieb', vrij vertaald: de aanleg tot kunstzinnige nabootsing. Voorwaarde hiertoe is een onbevangen en exact waarnemen. De exacte denker Van Romunde, die eerder delen van de moderne natuurkunde van een fenomenologische grondslag heeft voorzien (in zijn tweedelig 'Materie en straling in ruimte en tijd'), is in dit boek meer dan ooit in de voetsporen van Goethe getreden. Deze fenomenologische studie, die de inmiddels 83-jarige auteur voor zichzelf als een 'eindwerkstuk' beschouwt, zal hopelijk voor velen het begin kunnen zijn van een fenomenologische scholingsweg.
HdV